TOM BOGAARD / TEXTS

Over de expositie Wunderkammer


Het werk op deze expositie is in een periode van ongeveer 10 jaar tot stand gekomen. Een periode die begon met een duik in een erfenis van een oom van de koude kant, bestaande uit een verzameling dia’s uit de zestiger jaren. Die foto’s werden het uitgangspunt voor schilderijen, beelden en resulteerde uiteindelijk een installatie met zingende hoofden en “opgezette” dieren.

In mijn werk is een koppeling met museumverzamelingen, botanische tuinen en dierentuinen duidelijk zichtbaar. Mijn favoriete musea zijn natuurhistorische en etnografische waar de historische interieurs en de oorspronkelijke presentatie van de verzamelingen bewaard zijn gebleven. Voorbeelden hiervan zijn het Naturhistoriska Museet in Gotenburg, het Teylers museum in Haarlem, het Afrika museum in Tervuren en het Naturhistorisches Museum in Wenen. Ik ben gefascineerd in het verzamelen an sich, en in de verschillende manieren van presenteren van al dit onbekende, het exotische, het ideale, het angstaanjagende, het wonderbaarlijke. Over hoe die representatie eigenlijk meer iets vertelt over de verzamelaar zelf, en over ons. Iedere tijd heeft zijn eigen kijk op het verzamelen en op verzamelingen.  Musea moeten steeds weer hun best doen bij het uitleggen, het verdedigen en het verbeteren van de verzamelingen van voorgaande generaties. 


De verzamelingen van onze musea leiden nogal eens tot slecht geweten hier in het Westen. Over op welke manier de verschillende objecten hier terecht zijn gekomen, vaak het resultaat van uitbuiting en kolonialisme. Gekocht of gestolen, en losgerukt van context en betekenis. Met achterliggende politieke drijfveren over economisch gewin, gemotiveerd door racistische en religieuze ideeën. Het onderzoek naar planten die ons hier in het westen het best konden verrijken werd basis voor onze tropische plantenverzamelingen. Vaak vind je planten zoals koffie, katoen en andere koloniaalplanten in de meest centrale delen van tropische plantenkassen. Tegenwoordig gaat dezelfde uitbuiting van het westen verder middels goedkope arbeid en slecht werkende milieuwetgeving in de derde wereld. Nu China niet langer het plastic afval uit Europa wil ontvangen, wordt dat gedaan in andere Derdewereldlanden in de buurt zoals Indonesië. In het dorp, waar mijn vader is geboren in 1942, Mojokarto, wordt tegenwoordig Westerse vuilnis gesorteerd door de bevolking daar, met catastrofale gevolgen voor hun gezondheid en milieu.  


De titel van mijn expositie is Wunderkammer, of te wel rariteitenkabinet. De voorloper van de museumverzameling, maar ook een beetje het achterlijke neefje ervan. Een rariteitenkabinet was een privéverzameling met natuurhistorische, geologische, etnografische en/of historische voorwerpen, tevens een statussymbool voor de eigenaar. Hoe zeldzamer een voorwerp was, hoe voortreffelijker de verzamelaar. Sommige voorwerpen konden zuivere vervalsingen zijn, zoals tanden van narwals die voor eenhoornhorens door konden gaan. Juist die objecten, waarvan de juiste uitleg niet heel erg nauw werd genomen, vind ik erg spannend. Daar waar de fantasie de overhand krijgt en wetenschap kunst wordt. De Wunderkammer is een vrijere ruimte, ietsje minder wetenschappelijk, wat meer creatief.


Een van mijn vroegste herinneringen aan een museumbezoek was die van een schoolreisje naar het missiemuseum in Steyl in Limburg. Het jaar was 1974 en ik was 8 jaar oud.  Ik had een fototoestelletje bij me waar ik de opgezette dieren mee fotografeerde: een enorme bizon, een droevige leeuw met een vreemde glimlach, de grappige aapjes. De mechanische beer die kon bewegen en met zijn ogen rollen wanneer je er een muntje in stopte. Het was spannend, magisch. De foto’s heb ik niet langer, een paar jaar later heb ik alles verscheurd, me plotseling schamend voor mijn “kinderachtige” plaatjes. Nu bestaan ze alleen nog in mijn herinnering.


In de 20er en 30er jaren was het broeder Berchmans die de verantwoordelijkheid kreeg over de verzameling die de basis legde voor wat later het missiemuseum werd. Broeder Berchmans was een echte amateur, een zelfbenoemde zoölogische conservator. Zonder opleiding, maar niet zonder talent. Zijn opdracht kan niet altijd even makkelijk zijn geweest, wanneer er vaak niet meer dan een paar zwartwit foto’s de hulp boden bij het in elkaar zetten van een skelet en een gelooide huid. Hij was zeer gelovig en had een duidelijke visie over hoe hij de beesten zou presenteren. Om te benadrukken dat alle dieren door God geschapen waren gaf hij ze allemaal een glimlach.


***


Ontelbare diersoorten zijn door de geschiedenis heen door de mensheid uitgeroeid, vaak per ongeluk, meestal uit slordigheid. Bijvoorbeeld op geïsoleerde en onbewoonde eilanden met iets te makkelijk te vangen vogels, al dan niet met behulp van onze huisdieren of meegereisde ratten en insecten. Alleen de Tasmaanse buidelwolf (Thylacinus cynocephalus) is tot nu toe de enige diersoort die de mens met voorbedachte rade heeft uitgeroeid. Deze zou en moest van de aardbodem verdwijnen. Omdat men er van uit ging dat de Buidelwolf een gevaar vormde voor de schapenteelt besloot de Australische regering eind 19e eeuw beloningen uit te loven voor het doden van buidelwolven. De laatste resten van het bestand verdween daarna snel. De Engelse benaming “Tasmanian Tiger”, die ook wel Tasmanian Woolf werd genoemd, maakte dat het dier veel gevaarlijker leek dat ie eigenlijk was. De buidelwolf had ongeveer dezelfde eetgewoontes als een vos, en het was zeer onwaarschijnlijk dat hij een gevaar voor de schapenteelt zou kunnen zijn. In 1936 overleed de laatste buidelwolf, Benjamin, in gevangenschap. 


Met behulp van oude foto’s heb ik geprobeerd een reconstructie te maken. Met een kleine glimlach op z’n lippen alsof hij ons uitlacht: jullie tijd komt nog!


Mijn lachende doodskop met de naam For the Love of boG is deels een commentaar op Damien Hirsts beroemde diamantschedel, maar heeft ook te maken met andere, meer historische schedels, zoals oude Mixteekse schedels uit Mexico. Dit waren dure voorwerpen die met de status van de dode had te maken. Het materiaal dat ik gebruikt heb is een van de goedkoopste materialen dat we produceren, tegelijkertijd met een enorme impact op het milieu: plastic nurdles. Nurdles zijn plastic korrels die het rauwe materiaal zijn voor plastic producten. Enorme hoeveelheden komen iedere dag in de zee of in rivieren terecht, door slordigheid en ongelukken bij productie en transport. Via de zeestromen komen ze uiteindelijk in alle oceanen overal ter wereld terecht en dus ook op de stranden. 

Ik heb ze met behulp van mijn gezin gedurende langere tijd verzameld, onder meer op stranden in Engeland, Italië en op de Zweedse Westkust. Het opruimen van plastic troep is inmiddels een natuurlijk deel van onze vrijetijdsbesteding geworden.

 

Het gezin van mijn vader kwam uit Nederlands-Indië. Ze overleefden het jappenkamp en kwamen na de oorlog, net als veel andere gezinnen, in Den Haag terecht. In het trappenhuis in onze zeventigerjaren-doorzonwoning hing vroeger een masker uit Balie en een grote kris versierd met paardentanden. We aten thuis vaak Indisch. Mijn grootouders, tantes en oudtantes gebruikten een hoop Maleise woorden en uitdrukkingen. Ook bij hen hingen er een boel aandenkens uit het vroegere thuisland aan de muren, spullen die geladen leken te zijn met nostalgie, verdriet en heimwee naar een tijd van voor de oorlog.


Mijn oom Jack (Jack F. Chandu) had net als mijn vader op Java het Jappenkamp overleefd en ook hij kwam na de oorlog in Den Haag terecht. Daar veredelde en verfijnde hij zijn exotische achtergrond. Hij trad op, eerst als goochelaar in zaaltjes, daarna op TV, als mentalist in de begintijd van de Nederlandse televisie, voordat hij reisverslaggever voor het tijdschrift de Wereldkroniek werd en uiteindelijk healer, astroloog en holistisch therapeut met z’n eigen praktijk in Den Haag. Onder andere. 

Een dikke tien jaar geleden erfde ik Oom Jacks enorme verzameling dia’s. Het waren er duizenden, die hij gebruikte bij lezingen over zijn reizen over bijna de hele wereld, maar bovenal naar Zuidoost-Azië. Dit waren de zestiger en zeventiger jaren en de wereld was nog steeds enorm groot. De tijd van voor het massatoerisme, voor het internet, voor de globalisering. Met behulp van zijn optredens en dia-shows financierde hij nieuwe spannende reizen en avonturen. 


Jacks dia’s waren van variërende kwaliteit, zowel inhoudelijk als kunstzinnig, en waren ook niet in goede staat als gevolg van zonlicht en vocht. 

De verhalen die bij de dia’s horen zijn helaas weg. Het is soms moeilijk de plaatsen, de tijd en de gebeurtenissen te duiden, ik kan er vaak alleen maar naar raden. Eindeloze reeksen tempels en straatverkopers, jungles, woestijnen. Verder zitten er ook foto’s uit tijdschriften, en gekochte dia’s uit toeristenwinkeltjes tussen. 


Toen ik begon te werken met het materiaal van Oom Jack viel mijn oog vaak op de foto’s waar iets mee was. Bij een mooie foto is er eigenlijk geen reden om er een schilderij van te maken. Op zijn best kan het schilderij ongeveer even fraai worden als de foto, maar vaak wordt het juist minder. In het begin schilderde ik graag foto’s na waarin iets onduidelijks gebeurde. Ik vulde aan, plakte foto’s aan elkaar, zoomde in, knipte en maakte veranderingen. Later, toen ik eigen foto’s begon te maken in tropische kassen en musea die als het ware Jacks verzameling zouden kunnen verrijken, ontstond er een meer eigen verhaallijn en uitdrukking.

De jungleschilderijen kwamen op die manier tot stand: reportages van reizen of expedities naar tropische bestemmingen. Niet zozeer naar een werkelijke plek in de tropen, maar naar verzonnen, ideale plaatsen in de jungle. Een verloren paradijs. Foto’s die ik nam in kassen in Gotenburg, Berlijn, Amsterdam of Brussel gebruikte ik voor collages die ik naschilderde. 

Een bezoek aan een tropische kas wordt overigens nooit saai. Een beetje als een makkelijke fast-expeditie naar een instant jungle. 


Met gebruik van de collagetechniek heb ik geprobeerd een grotere, filmachtige afbeelding te maken, en tegelijkertijd een idee van tijd laten te ontstaat. Als een expeditie door het woud, langs verschillende plekken, gebeurtenissen, momenten. Voor het schilderij Retable of the Two Bridges maakte ik een hele hoop foto’s in verschillende kassen en musea. De twee bruggen leiden de blik van de toeschouwer in en uit het schilderij. 


***

Een paar jaar geleden ben ik begonnen met het maken van maskers. De eerste waren geïnspireerd op die van de Asaro Mudmen uit Papua Nieuw-Guinea waar ik afbeeldingen van vond op de dia’s van oom Jack.  De Asaro Mudmen dragen maskers van klei en smeren zichzelf in met natte, witte klei om zo hun vijanden schrik aan te jagen, of wellicht om toeristen te vermaken.


De maskers waren mijn eerste voorzichtige stapjes in de derde dimensie als beeldhouwer, daarvoor werkte ik eigenlijk vrijwel uitsluitend met schilderen. De maskers zijn gemaakt van een eigen variant van Mongolische papier-maché: met pulp van eierkarton, krijt, klei en behangplaksel. Je kunt het gemakkelijk veranderen, in laagjes opbouwen, slijpen en erin snijden. Gaat het helemaal mis, dan kan je het weer natmaken en opnieuw gebruiken. Het materiaal is bijzonder vergevingsgezind en je kunt het keer op keer hergebruiken. De maskers, de Demonen, hebben in de loop der tijd verschillende uitdrukkingen gekregen en ik heb ze op verschillende manieren gebruikt afhankelijk van de situatie: als passief object op een podium, als attribuut wanneer ik ze draag in een performance, en als actief subject wanneer ze zelf beginnen te bewegen en te praten. Ik probeer ze een zo neutraal mogelijke uitdrukking te geven, zowel onschuldig als beangstigend, tegelijkertijd kwetsbaar en vriendelijk maar ook emotieloos. Ze stellen demonen zijn het, maar niet noodzakelijkerwijs kwaadaardige. 

Soms komen ze snel tot stand, soms duurt het langer. Terwijl ik bezig struikel ik vaak over allerlei personages: Darth Vader, Homer Simpson, SpongeBob SquarePants, Beavis and Butthead, Kuifje. Kleine veranderingen van de plaatsing van neus of de breedte van de mond maakt ze tot verschillende personen, verschillende demonen. Wanneer ze uiteindelijk vrijgevochten raken van mijn eigen popculturele referentiekader en ze lijken te kunnen beginnen met zingen, zijn ze klaar.


***

In de tijd dat mijn oom Jack zijn diavoorstellingen hield was de wereld minder toegankelijk dan vandaag de dag. De mensen reisden niet even vaak, en meestal niet zo ver weg, maar er was de behoefte om plekken te zien waar je naar kon verlangen. Mooie plaatsen, mystieke, gevaarlijke en spannende. Ver weg, onbereikbaar.


Nu het coronavirus ons thuis houdt, zijn we een beetje terug in dezelfde situatie. We zijn weer gedwongen te reizen in onze eigen fantasie. Waarschijnlijk van alle reizen de beste!



Tom Bogaard, juli 2020

©  Tom Bogaard  2021